Routecriteria
Bij het uitzetten van een tracé zijn er tien criteria waaraan een route moet voldoen.
- De routes voeren door een aantrekkelijke en afwisselende omgeving. Waar mogelijk worden bezienswaardigheden, historische kernen en karakteristieke gebouwen in de route opgenomen.
- De routes maken zoveel mogelijk gebruik van vrij liggende fietspaden en wegen met weinig autoverkeer.
- De routes zijn veilig: waar mogelijk wordt gekozen voor ongelijkvloerse kruisingen met drukke wegen. Lukt dit niet, dan wordt waar mogelijk gekozen voor overzichtelijke of met verkeerslichten beveiligde kruispunten, liefst met vluchtheuvel in het midden.
- De route moet het hele jaar door comfortabel te rijden zijn. Hobbelige stukken, mul zand e.d. worden zoveel mogelijk gemeden.
- Ongeoefende fietsers op stadsfietsen, eventueel met fietskarren (benodigde breedte 80 cm.), moeten de tochten kunnen rijden. Trappen, ook met fietsgleuf, worden in principe gemeden.
- Rivieren en kanalen worden zoveel mogelijk overgestoken met exclusieve voorzieningen voor fietsers, zoals fietsbruggen en fietsveren die regelmatig varen.
- De routes lopen logisch, overzichtelijk en rechtstreeks, voor zover dat kan op een mooie, rustige en veilige manier. De route mag niet meer dan 25% langer zijn dan de voor fietsers kortste verbinding. Alleen als de route hierdoor duidelijk aantrekkelijker wordt, dan mag deze norm worden overschreden.
- Hoge entreegelden voor wegen of paden worden vermeden.
- Alleen als er geen goed alternatief is, mogen delen van de routes na zonsondergang zijn afgesloten.
- Eigen wegen met de toevoeging 'verboden toegang' worden alleen opgenomen als de eigenaar schriftelijk akkoord gaat.


